
Premium‘Ik kan me niet laten chanteren door patiënten om mijn eed te breken’ – Het pad naar morgen, bonusdeel 2
Leesverhaal
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
De 95-jarige Anna is gepensioneerd huisarts en woont in Amsterdam. In Het pad naar morgen blikt ze terug op haar veelbewogen leven. Auteur Rachel van Charante neemt je mee in dit tweede bonusdeel van Anna’s zoektocht naar vrijheid en liefde.
De vorige keer in Het pad naar morgen:
Maandag 9 januari 1961
De eerste werkdag na de kerstvakantie. Het was ijskoud en nog donker, toen ik even na zevenen mijn fiets in het rek voor de huisartsenpraktijk zette. Normaal gesproken startte ons spreekuur pas om acht uur, maar ik had een overleg met dokter Van Dronten ingepland, nog voordat onze eerste patiënten zich zouden aandienen. Ik trok mijn handtas uit mijn fietsmand, met daarin een exemplaar van het American Journal of Obstetrics and Gynecology.
Na het lezen van de publicatie over DES belde ik nog dezelfde dag naar Nederland, en lichtte Gijsbert van Dronten in over wat ik te weten was gekomen. Als moderne arts was hij een fervent voorstander van DES, maar hij was ook betrokken bij zijn patiënten. Hij zei meteen mijn zorg te delen, en me vroeg het Amerikaanse vakblad voor hem mee te nemen, zodat hij na de vakantie kon bepalen wat we met dit nieuwe inzicht zouden doen. Zelf had ik besloten het hormoon onder geen beding meer voor te schrijven, totdat er betrouwbare onderzoeksresultaten opdoken die het tegendeel bewezen. En ik wist zeker dat dit ook voor dokter Van Dronten gold als hij het onderzoek doorgenomen had.
Ik liep de praktijk in en begroette Els, een energieke doktersassistente van halverwege de twintig met een hart van goud, die praatte alsof ze batterijen had ingeslikt.
“De beste wensen voor 1961!” Els kwam direct achter de receptie vandaan en plantte drie zoenen op mijn wang. “Hoe was jullie vakantie in het verre Amerika? O, daar heb ik altijd al een keer naartoe willen gaan!”
“Geweldig,” loog ik. Ik draaide me om en hing mijn wintermantel aan de kapstok. Tijdens de reis probeerde ik de ontdekking over DES zoveel mogelijk van me af te zetten, maar de malende angstgedachten over wat dit mogelijk voor Emma’s gezondheid betekende, martelden me vrijwel onafgebroken. Ook Ben kon na het lezen van de publicatie zijn twijfels niet opzijzetten. Hoe zouden we haar dit ooit kunnen uitleggen?
“Ik heb toch ook zo’n heerlijke vakantie gehad,” kirde Els. “Johan heeft me eindelijk ten huwelijk gevraagd!” Enthousiast hield ze me haar hand voor, waaraan een zilveren verlovingsring prijkte.
“Gefeliciteerd!” Ik perste er een glimlach uit.
“Dus ik zei tegen ‘m, ik zei: ‘Moest je daar nou zo lang over doen?’”
“Ik dacht even: dat aanzoek komt er nooit meer.” Els kakelde door, maar haar woorden vervaagden tot achtergrondruis. Bij elkaar opgeteld had ik zo’n negen maanden DES geslikt. Hoelang zouden de gevolgen daarvan aanwezig blijven in mijn lichaam? Moesten Ben en ik onze plannen tot gezinsuitbreiding uitstellen of zelfs heroverwegen? Zoveel vragen, zo weinig antwoorden.
“Nou, dus als het aan Johan ligt blijven we na ons huwelijk in Maartensdijk wonen, en trekken we bij zijn ouders in. Maar zijn moeder is vreselijk! Die vrouw bemoeit zich óveral mee. Dus ik zei tegen Johan…”
Ik legde een hand op Els’ onderarm. “Sorry dat ik je even onderbreek, Els, maar is dokter Van Dronten al binnen? Ik moet iets met hem bespreken.” Ik trok het Amerikaanse vakblad uit mijn handtas.
Els trok een spijtig gezicht. “Hij legt nu een huisbezoek af bij een patiënt die op sterven ligt. Ik vermoed dat hij niet op tijd terug is voor het spreekuur.” Ze haastte zich terug naar de receptie en wierp een blik in de agenda. “Om acht uur heeft hij mevrouw Kelder staan. Kun jij haar overnemen?”
Mevrouw Kelder kwam niet alleen, maar werd vergezeld haar man, die meer weg had van een beveiliger dan van haar echtgenoot. Hij was niet al te breed, maar wel boomlang, had norse wenkbrauwen, handen als kolenschoppen en een harde stem. “Mijn echtgenote heeft weer een miskraam gehad, de zoveelste al, en wij willen een oplossing,” blafte meneer Kelder.
“Wat naar. Het spijt me dat te horen.”
Meneer Kelder had ik nog niet eerder ontmoet, maar mevrouw Kelder wel, herinnerde ik me toen ze tegenover me zaten. Ze was een vriendelijke, wat timide vrouw die een maand of vier geleden ook naar het spreekuur kwam omdat ze een miskraam had gehad. Toen was ze zonder haar echtgenoot. Nadat ik haar had onderzocht en ze weer aangekleed tegenover me zat, vouwde ze haar handen ineen en vertrouwde me voorzichtig toe dat ze eigenlijk geen kinderen meer wilde. Ze was vierenveertig en zij en haar man hadden er al acht. Haar oudste was zelf al moeder, en haar jongste zoon, die ze demonstratief de naam Benjamin had gegeven, was pas drie. Desondanks waren er sinds zijn geboorte nog drie miskramen gevolgd.
“Heeft u anticonceptie overwogen?” vroeg ik haar destijds. Mevrouw Kelder liet weten dat haar echtgenoot absoluut niet openstond voor moderniteiten als geboortebeperking, en voor onthouding nog minder. “Hij ziet het als mijn echtelijke plicht, ziet u?”
Daarop raadde ik haar aan om enkel tijdens de ovulatie een zekere afstand te bewaren. Nadat ik had uitgelegd op welke dagen van de maand ze vruchtbaar was, was ze zichtbaar opgelucht. "Dan geef ik mijn man op die avonden maar een glaasje jenever,” giechelde ze besmuikt. “Dan slaapt hij als een os."
Kennelijk was de jenever-oplossing ontoereikend geweest, want hier was mevrouw Kelder opnieuw.
“Ik wil graag dat u mijn vrouw – hoe heet dat spul? – DES voorschrijft,” riep meneer Kelder. “Ik ben geen voorstander van pillen, maar iedereen zegt dat het helpt tegen miskramen.”
“Ik begrijp uw verzoek. Maar mag ik een alternatief voorstellen?” Ik richtte me tot mevrouw Kelder.
Ze staarde naar haar handen, die ze krampachtig in haar schoot gevouwen had. Haar hele wezen straalde spanning uit.
“U vertelde me de vorige keer dat u vierenveertig bent en al een groot gezin hebt. U hebt acht gezonde kinderen ter wereld gebracht. Heeft u weleens geboortebeperking overwogen?” vroeg ik op een toon alsof we dat onderwerp nog niet eerder hadden besproken. Het was het proberen waard.
“Geboortebeperking? Geen sprake van!” Meneer Kelder sloeg demonstratief zijn armen over elkaar. “Het is niet natuurlijk om in te grijpen. Kinderen zijn een zegening van God.”
“Dat betwist ik niet. Maar het aantal zegeningen dat het lichaam op een gezonde manier kan voortbrengen is helaas niet oneindig,” antwoordde ik voorzichtig. Ik richtte me weer tot mevrouw Kelder. “Ik begrijp dat u een nieuwe miskraam wilt voorkomen, en ik sta er zeker achter dat we een oplossing zoeken. Maar – met alle respect – gezien uw leeftijd en het aantal zwangerschappen dat u hebt volbracht, is het verstandiger om u te focussen op geboortebeperking, in plaats van het voorkomen van nieuwe miskramen. Uw lichaam heeft al achtmaal een topprestatie verricht, en heeft rust nodig. De anticonceptiepil is een gloednieuwe maar volkomen veilige vorm van geboortebeperking, die-”
Wilt u soms beweren dat u het beter weet dan de dokter zelf?
Meneer Kelder snoof. “Luistert u wel, met uw ‘geboortebeperking?’ Nogmaals, het is niet aan de mens om te bepalen of er nieuw leven geboren wordt, maar aan God. Ik wil DES, en niet die heidense anticonceptiepil.” Hij keek aansporend naar zijn vrouw. Kennelijk was het de bedoeling dat zij ook iets zei.
Mevrouw Kelder staarde nog steeds naar haar nagels, en zweeg.
Hij draaide zich weer naar mij. “Waar haalt u eigenlijk het brutale lef vandaan om God te slim af te willen zijn?”
Het lag op het puntje van mijn tong om op te merken dat God ongetwijfeld een stokje had gestoken voor de komst van de anticonceptiepil als Hij dat gewild had. In plaats daarvan zei ik: “Het is absoluut niet mijn bedoeling om Zijn plannen te dwarsbomen, meneer Kelder. Maar als arts is het wel mijn taak om u en uw vrouw goed te adviseren. Uit nieuw onderzoek blijkt-”
“Ik vroeg niet om advies, maar om een recept voor DES. Als ik advies had gewild, dan had ik wel bij Van Dronten aangeklopt. Ik wil dat u mijn vrouw nu DES voorschrijft, punt.” Hij knikte erbij en wapperde demonstratief met zijn hand, alsof hij wilde zeggen: en nu snel een beetje.
Ik voelde mijn bloeddruk stijgen, maar antwoordde kalm: “U zult het met mij eens zijn dat de gezondheid van uw vrouw voorop staat. Daarom kan ik DES op dit moment niet voorschrijven.” Ik zocht naar woorden die mijn weigering verklaarden, zonder al te veel zorgen teweeg te brengen. “Uit recente Amerikaanse publicaties blijkt dat het hormoon mogelijk nadelige gevolgen heeft voor zowel de moeder als de foetus. Totdat er nader onderzoek naar gedaan is, en ik er zeker van ben dat uw vrouw DES veilig kan gebruiken, schrijf ik het middel niet voor. Ik wil graag samen met u de alternatieven onderzoeken, maar buiten anticonceptie om is onthouding helaas de enige-”
“Wat een gezwets!” bulderde Kelder. “Dat middel wordt al jaren gebruikt! Dokter Van Dronten heeft het onlangs nog aan mijn zus voorgeschreven. Wilt u soms beweren dat u het beter weet dan de dokter zelf?”
De dokter zelf.
Ik vermoedde dat het weinig zin had om Kelder uit te leggen dat mijn doctoraal geneeskunde niet verschilde van die van Gijsbert van Dronten. Daar gaf Kelder me ook de kans niet voor, want hij kneep zijn ogen tot spleetjes en siste: “De apostel Paulus schreef in zijn brief aan Timotheüs: 'Een vrouw dient zich gehoorzaam, stil en bescheiden te laten onderwijzen. Een vrouw moet nederig zijn. Ik sta niet toe dat ze gezag over mannen heeft.’ Wie denkt u wel niet dat u bent, met uw gezwets over ‘anticonceptie’ en ‘onthouding’? Uw man zou er verstandig aan doen u voortaan thuis te houden.”
De bodem van mijn vaatje met geduld kwam in zicht. Ik klemde mijn kaken op elkaar, om te voorkomen dat ik er zaken uitflapte die mijn werkgever me niet in dank afnam.
“Berend, lieveling,” suste mevrouw Kelder bijna onhoorbaar.
“Wat nou, ‘Berend, lieveling?’” bulderde hij. “Begin jij nou ook nog? Dat vrouwmens moet gewoon doen waarvoor ze is aangenomen!” Hij prikte met zijn wijsvinger in mijn richting.
Terplekke nam ik me voor om tijdens een eerstvolgend consult, als ik alleen was met mevrouw Kelder, eens te informeren naar het gedrag van haar man bínnen de muren van hun woning. Haar timide, angstige houding kwam me helaas maar al te bekend voor. En als de man zichzelf en plein public al zo slecht in de hand had, beloofde dat weinig goeds wanneer hij zich onbespied waande. “Ik ben duidelijk, meneer Kelder,” zei ik scherp. “Nogmaals: de gezondheid van uw vrouw staat voorop. Dat betekent dat u van mij op dit moment geen recept voor DES krijgt. Bovendien is de keuze uiteindelijk aan uw vrouw, niet aan u. En nu zou ik haar graag willen onderzoeken.” Ik schoof mijn stoel naar achteren en gebaarde naar het gordijn waarmee de onderzoeksbank werd afgeschermd. “Mevrouw Kelder, wilt u plaatsnemen op de onderzoeksbank?” vroeg ik vriendelijk.
“Onderzoeken? Om de drommel niet! Jij blijft voortaan bij mijn vrouw uit de buurt! Het is gewoonweg een schande dat deze kwakzalverij, deze heidense flauwekul, in deze praktijk getolereerd wordt. Maar het laatste woord is hier nog niet over gezegd. Ik stap naar Van Dronten, daar kun je op rekenen!” Nijdig schoof hij zijn stoel over de houten vloer naar achteren. Een nare piep snerpte door de spreekkamer.
Hij stoof de spreekkamer uit, met mevrouw Kelder in zijn kielzog. Op de drempel draaide ze zich nog even naar me om. “Sorry,” mimede ze onhoorbaar. Toen maakte ook zij zich uit de voeten.
Nadat de deur achter hen was dichtgevallen, klonk er gesmoord gefoeter vanuit de naastgelegen wachtkamer, direct gevolgd door de sussende stem van dokter Van Dronten, die nu kennelijk ook was gearriveerd.
Ik liet me achterover zakken in mijn bureaustoel en zuchtte vermoeid. “Wat een figuur.”
Een klein half uur later – ik had net mijn volgende patiënt uitgezwaaid – stapte mijn werkgever mijn spreekkamer binnen. Gijsbert van Dronten had met zijn slanke postuur, achterovergekamde donkere haar en ronde uilenbrilletje wel iets weg van Prins Bernhard. Half en half had ik een geanimeerd betoog over Kelders klaagzang verwacht, maar in plaats daarvan liep hij naar het raam, zijn handen op zijn rug gevouwen. De glimlach die gewoonlijk op zijn gezicht leek vastgeroest, was nu veranderd in een verbeten streep. Toen draaide hij zich naar me om. “Meneer Kelder is woedend op je.”
“Volgens mij is het geen kunst om die man woedend te maken. Ik weet niet welke ‘ongehoorzame vrouw’ meneer Kelder zo heeft dwarsgezeten, maar zijn seksisme kent geen grenzen. Die dominante bullebak denkt over het lichaam van zijn vrouw te mogen beslissen. Ik maak me echt zorgen om mevrouw Kelder.” En ook over DES, maar ik besloot dat onderwerp nog even te parkeren.
Hij nam zijn bril van zijn neus en begon de glazen op te poetsen. “Ze is dan ook zijn vrouw. Dus dat recht heeft hij, Anna.”
Ik trok mijn wenkbrauwen op. “Ik kan me niet voorstellen dat je dit meent.” Gijsbert was op papier dan mijn werkgever, maar in het afgelopen half jaar hadden we een open verstandhouding met elkaar ontwikkeld. Hij benaderde me meer als collega dan als werknemer en vroeg me regelmatig om advies in kwesties rond patiënten.
Hij zette zijn bril weer op. “Kelder liet weten een officiële klacht tegen je in te dienen. ’Dokter Maas is er niet op uit om de gezondheid van mijn vrouw te beschermen, maar om míj gezondheidsschade toe te brengen,’ luidde zijn betoog.”
Neem me niet kwalijk hoor, maar dit is belachelijk. Nou, laat hem maar komen met z’n klacht
Ik klakte met mijn tong. “Hem gezondheidsschade toe te brengen? Hoe verzint hij het?”
“Omdat je hen onthouding adviseerde. Omdat je hem zijn echtelijke rechten – en zijn vrouw een goedgekeurd medicijn wilde ontzeggen.”
In weerwil van alles schoot ik in de lach. “Neem me niet kwalijk hoor, maar dit is belachelijk. Nou, laat hem maar komen met z’n klacht.”
Met een nors gezicht trok Gijsbert een pakje sigaretten uit zijn borstzakje en stak er één op. “Nee, want een klacht tegen jou, is een klacht tegen mijn praktijk. Als het alleen jou persoonlijk betrof, dan was het geheel en al jouw keuze. Maar als praktijkhouder draag ik de verantwoordelijkheid. Kelder liet weten zijn aanklacht te heroverwegen als zijn vrouw alsnog een recept DES mee naar huis kreeg, en dat heb ik haar voorgeschreven.”
Verbouwereerd opende ik mijn mond en sloot hem weer. Toen trok ik mijn handtas onder mijn bureau vandaan, viste het Amerikaanse vakblad eruit en sloeg het open. “Gijsbert, luister. Bij dierproeven met zwangere ratten en muizen die werden blootgesteld aan diethylstilbestrol, zijn blijvende veranderingen waargenomen in de voortplantingsorganen van het nageslacht,” las ik voor. “Daarbij werden structurele afwijkingen van baarmoeder en baarmoederhals gezien, verminderde vruchtbaarheid en het ontstaan van tumoren op latere leeftijd. Deze bevindingen roepen ernstige vragen op over de veiligheid van prenatale blootstelling aan synthetische oestrogenen,” vertaalde ik. “Met deze onderzoeksresultaten in je achterhoofd kun je mevrouw Kelder toch niet met een recept DES naar huis sturen? We moeten hierover aan de bel trekken. Als dit waar is, dan moet dit spul direct van de markt.”
“Precies, als dit waar is.” Hij blies de rook uit en met een driftig gebaar drukte hij zijn halfopgerookte sigaret uit. “Ik begrijp je zorg, maar hierin moet ik toch echt een afweging maken. We gaan absoluut geen paniek zaaien. Dit is mijn praktijk, die breng ik niet in gevaar.”
“Hoezo, in gevaar? Wat denk je dat er gebeurt als we DES doodleuk blijven voorschrijven?” vroeg ik verontwaardigd.
“Meneer Kelder is een gerespecteerd lid van de gemeenschap. Hij zit in het kerkbestuur en hij heeft een contact bij het regionale medische tuchtcollege. Ik wil die man niet tegen me hebben. Het is 1961, maar zelfs in deze moderne tijd hebben sommigen nog moeite met een vrouwelijke arts. Vooral als zo’n arts aan heilige huisjes tornt. Ontwikkelingen gaan niet sneller dan ze gaan, Anna. Zeker niet in een klein dorp als dit, waarin iedereen elkaar kent. Ik ben zo vooruitstrevend geweest je deze positie te bieden, maar je moet niet vergeten dat mijn naam op de gevel staat. Ik kan mijn praktijk niet in diskrediet brengen door één onderzoek en een hoop Amerikaanse hysterie.”
“Amerikaanse hysterie? Nou, deze onderzoeksresultaten-”
Hij hief zijn hand. “Luister, Anna. Je bent een aanwinst voor mijn praktijk en ik ben blij met je, eerlijk waar, maar laat één ding duidelijk zijn. Ik zal je nooit vragen om DES aan Jan en Alleman voor te schrijven als je daar persoonlijk niet achter staat, maar ik wil absoluut niet dat je je bevindingen met patiënten deelt, en zo angst zaait. Wanneer een patiënt zelf om DES vraagt met een gegronde reden, zoals het ondersteunen van een zwangerschap, dan schrijf je dat voor. Zonder protest. Dat lijkt me een redelijke afspraak. Als je je daarin niet kunt vinden, zul je helaas een andere betrekking moeten zoeken. Dat zou ik zeer betreuren, maar dan laat je me geen andere keuze dan afscheid van je te nemen. Is dat duidelijk?”
Ik zweeg even. Liep mijn spreekkamer door en kwam tot stilstand voor de wand waaraan mijn artsendiploma hing ingelijst. De talloze afwijzingen die ik kreeg voordat Gijsbert me aannam als assistent-huisarts, stonden me nog haarscherp op mijn netvlies. Terwijl mijn mannelijke medestudenten al lang onder de pannen waren, duurde het bij mij ruim een jaar voordat ik een betrekking vond. Ik had het hier naar mijn zin. Bovendien waren we net gesetteld in het dorp, en Emma op haar nieuwe school. Sommige verhuisdozen waren nog niet eens uitgepakt. En het belangrijkste: ik had nu een stabiel inkomen, dat het zelfs mogelijk maakte dat Ben als zelfstandig fotograaf kieskeurig kon zijn in de klussen die hij aannam.
Als ik verstandig was, dan capituleerde ik.
“Ben ik duidelijk, Anna?” herhaalde Gijsbert.
Ik draaide me naar hem om. “Je bent zeker duidelijk,” zei ik. “Maar net als jij heb ook ik een eed afgelegd. Heb ik gezworen te handelen naar eer en geweten en patiënten geen kwaad te berokkenen. Wat je me vraagt te doen is precies het tegenovergestelde. Ik kan me niet laten chanteren door patiënten om die eed te breken. Het spijt me.”
Gijsbert knipperde even met zijn ogen. “Maar… Dat meen je toch niet? Je bent hier net. Echt, dit is zo zonde van je carrière, en ook heel erg onverstandig.” Hij legde vaderlijk een hand op mijn bovenarm. “Denk erover na, want hier ga je echt spijt van krijgen, Anna.”
Ik glimlachte. “Dat denk ik niet. Integendeel.”
Januari 2026
Spijt kreeg ik inderdaad niet. Zelfs niet toen ik een jaar later nog geen nieuwe betrekking gevonden had, en de bodem van onze spaarrekening bereikt was. Gijsbert vroeg me nog eens of ik echt niet terug wilde komen, maar zijn voorwaarden bleven onveranderd, en mijn keuze dus ook.
Net zoals jaren eerder, toen ik twijfelde over de studie Geneeskunde, was Ben degene die me over mijn laatste restje twijfel heen liet stappen, en me het vertrouwen gaf dat ik nodig had. Ruim een jaar na mijn vertrek bij Van Dronten, kwam hij thuis met een in cadeaupapier verpakt doosje. Er zakt een zilveren sleutel in. “Je bent afgestudeerd arts. In principe hoef je niet af te wachten tot een andere arts je de kans geeft. Het wordt tijd je eigen praktijk op te starten, denk je niet?”
Het was geen gebruikelijke zet om met slechts een half jaar praktijkervaring voor mezelf te beginnen, maar als vrouwelijke huisarts was mijn carrière sowieso ongebruikelijk.
Ben bleek een pand te hebben gehuurd in de Amsterdamse Jordaan, aan de Egelantiersgracht. De eerste verdieping bestond uit een appartement en de begane grond was om te bouwen tot praktijkruimte. De gemeenschappelijke hal rook naar urine en op de muren zat een waas van schimmel, maar het was van ons, en met minimale middelen en Bens twee rechterhanden wisten we er al gauw een echte praktijkruimte van te maken. We keerden terug naar onze geboortegrond en betrokken het appartement boven de praktijk. De Jordanezen bekeken me eerst met argusogen, maar al gauw ontstond er vertrouwen, en werd ik de vaste huisarts van een groot deel van – met name – de vrouwen in de buurt. Ooit ging ik Geneeskunde studeren om mijn liefde voor het vak te combineren met een missie: vrouwen helpen die hetzelfde waren overkomen als mij. Ik wilde ze beschermen en perspectief bieden. Een stem geven. Daar was nu een missie bijgekomen: de strijd tegen DES.
Mijn angst werd werkelijkheid toen mijn dochter Emma gediagnosticeerd werd met baarmoederkanker
Zelf schreef ik DES niet meer voor. Desondanks moest het nog tien hele jaren duren voordat er in Europa op grotere schaal onderzoek naar het hormoon werd gedaan, en de autoriteiten alarm sloegen. Pas in 1975 werd op grote schaal bekend wat DES in het menselijk lichaam aanrichtte; hetzelfde als bij dieren, en werd er massaal gestopt met het voorschrijven ervan. In de jaren die eraan voorafgingen schreef ik regelmatig columns in kranten en weekbladen, waarin ik me uitsprak over onderwerpen die mij als huisarts aan het hart gingen, zoals DES. Ik schreef die columns onder een mannelijk alias, omdat Gijsbert van Dronten in één ding absoluut gelijk had: ontwikkelingen gaan niet sneller dan ze gaan.
Mijn angst werd werkelijkheid toen mijn dochter Emma gediagnosticeerd werd met baarmoederkanker. Goddank overleefde ze dat. In december vorig jaar kwam ze terug uit Tanzania, waar ze woont, omdat er borstkanker bij haar geconstateerd is en ze graag in haar thuisland geopereerd wilde worden. Opnieuw een ziekte die te linken is aan DES. Ditmaal zijn Emma’s vooruitzichten erg goed, weet ik. De tumor is op tijd ontdekt en alles duidt op een goed herstel. Toch raast de spanning als een wervelwind door mijn lichaam.
Marion en ik volgen de borden naar de afdeling chirurgie. Achter de gesloten deuren klinkt het gepiep van apparatuur. Aan het einde van de gang worden we opgewacht door Ernst, Emma’s man. Zijn dikke krullen hebben dezelfde grijstint als het linoleum. “Goed nieuws,” roept hij. Hij glimlacht warm en spreidt zijn armen. “Alles is goed gegaan!”
“Goddank,” roep ik uit.
Ernst omhelst Marion en buigt zich naar mijn rolstoel. “Emma was net al even wakker. Alles komt in orde. Er mogen nu twee mensen bij haar.”
“Gaan jij maar eerst, mam. Ik wacht hier,” antwoordt Marion. Ook in haar stem klinkt de opluchting door.
Ernst helpt me uit mijn rolstoel en aan zijn arm schuifel ik de uitslaapkamer in.
Emma ligt aan het infuus, onder de blauwe ziekenhuissprei. Als we haar bed naderen opent ze haar ogen, en laat een strijdlustige glimlach zien.
“Lieverd,” roep ik uit. Bij elke stap die ik zet voel ik me lichter.
- Het pad naar morgen – deel 1
Het pad naar morgen – deel 1
Na ruim negen maanden in een verpleeghuis keert mevrouw Maas terug naar huis. Tijdens haar laatste avond blikt ze terug op de Watersnoodramp van 1953, en het geheim dat ze al decennia met zich meedraagt.
- Het pad naar morgen – deel 2
Het pad naar morgen – deel 2
Als haar laatste avond in het verpleeghuis onverwacht oude wonden openrijt, vertelt Neeltje over haar vlucht uit een gewelddadig huwelijk – en op de allesbepalende keuze om haar eigen dood in scène te zetten.
- Het pad naar morgen – deel 3
Het pad naar morgen – deel 3
Neeltje keert terug naar haar appartement na maanden revalideren, maar de stilte en leegte maken haar onzeker. Haar herinneringen gaan terug naar 1953, toen ze met een nieuwe identiteit een veilig leven probeerde op te bouwen.
- Het pad naar morgen – deel 4
Het pad naar morgen – deel 4
Lena zwerft door de natgeregende straten van Amsterdam, uitgeput en zonder uitweg. Al dagen zoekt ze vergeefs naar werk en onderdak, terwijl de dreiging van Krijn steeds boven haar hoofd hangt. Zwanger en alleen begint de wanhoop haar te overmannen. Tot ze onverwacht iemand ontmoet die haar lot ingrijpend zal veranderen.
- Het pad naar morgen – deel 5
Het pad naar morgen – deel 5
Anna, vroeger Neeltje, blikt terug op haar leven terwijl haar kleindochter Charlotte door oude familiefoto’s bladert en vragen stelt over het verleden. Ze vertelt over haar ingewikkelde keuzes, een nieuwe identiteit, haar liefde voor Matthijs en de voorbereidingen op hun huwelijk en de komst van hun kind.
- Het pad naar morgen – deel 6
Het pad naar morgen – deel 6
In 1953 was de jonge Anna hoogzwanger en verloofd met Matthijs. Zijn broer Ben kwam voor het huwelijk over uit Amerika. Het klikte. Door haar gesprekken met Ben laaide Anna’s droom om huisarts te worden opnieuw op, en zonder medeweten van Matthijs nam ze een besluit.
- Het pad naar morgen – bonusdeel 1
Het pad naar morgen – bonusdeel 1
Bij een bevriende gynaecoloog in Amerika krijgt Anna de schrik van haar leven. Het synthetisch oestrogeen dat ze al een tijdje slikt - Diethylstilbestrol, kortgezegd DES - blijkt heel gevaarlijk te kunnen zijn voor de gezondheid van haar eigen dochter.
- Het pad naar morgen – bonusdeel 2
Het pad naar morgen – bonusdeel 2
In dit allerlaatste deel van Het pad naar morgen wordt Anna's grootste angst waarheid. Door haar toedoen is haar dochter ernstig ziek. Maar Anna strijdt ook voor verandering en vrijheid.




