
God op de bergtop: Bestaan 'dunne plaatsen' echt?
Essay
Leestijd: 12 minDoor Alain Verheij
Je staat op een bergtop, kijkt uit over een eindeloos landschap en voelt het ineens: hier is iets bijzonders. Dichter bij God, dichter bij de hemel. Veel gelovigen herkennen dat gevoel. Maar is het ook echt zo dat sommige plekken ‘dunner’ zijn dan andere, vraagt theoloog en schrijver Alain Verheij zich af. Dat de afstand tussen God en mens daar kleiner is?
Voor wie goed om zich heen kijkt, kan de natuur iets betoverends hebben. Vooral op vakantie kunnen we het overweldigende gevoel krijgen dat er meer is tussen hemel en aarde. Het is de schepping die stilzwijgend (of juist klaterend en donderend) getuigt van de Schepper. Ik heb het zelf gehad in Delphi, een plek waar de oud-Griekse heidenen een heiligdom bouwden omdat de sfeer er zo mystiek is. En ook op Kreta, waar ik door een kloof wandelde en uiteindelijk bij een grot terechtkwam. Bij de ingang van die grot hingen allemaal wandelstokken en krukken. Gelovigen hadden daar ervaringen van genezing gehad.
In de natuur kunnen we Gods handtekening herkennen
De traditionele geloofsleer zegt dat God ons twee boeken heeft gegeven: de Bijbel en het ‘boek der natuur’. Met dat tweede wordt bedoeld dat we in de schepping Gods handtekening kunnen herkennen. Midden in de Bijbel staat een loflied op dit universum dat zo mooi kan zijn: ‘Hoe talrijk zijn uw werken, HEER. Alles hebt U met wijsheid gemaakt, vol van uw schepselen is de aarde’ (Psalm 104). Om in God te geloven hoef je heus niet alleen maar met je neus in de heilige boeken te zitten. Je kunt ook naar buiten gaan en al je zintuigen de schoonheid laten opvangen. Schoonheid die naar de hemel wijst.
De eerste gelovigen, die überhaupt nog geen heilige boeken hadden, ontmoetten God vaak op bijzondere plaatsen in de natuur. Zoiets kun je een plek van kracht noemen of een dunne plaats. Ergens waar het wel lijkt alsof de grens tussen hemel en aarde niet zo dik is. Minder dik dan op het kantoor waar je werkt of de parkeerplaats voor de supermarkt. Zo bouwde Abram altaren voor God bij machtig grote bomen. Jakob zag engelen toen hij ergens in de woestijn met zijn hoofd op een steen lag te slapen. Later zocht God hem op bij een rivier die hij wilde oversteken. Allemaal locaties om extra bij stil te staan, diep in te ademen en in contact te komen met een fractie van de eeuwigheid.
Het gebeurt vooral op een berg
Maar de allerbelangrijkste heilige plek in de Bijbel is steeds weer een berg. Het is voor ons Nederlanders extra goed te begrijpen, want wij hebben geen bergen. Willen we er eentje zien, dan moeten we ver reizen. Zo houden bergen altijd iets exotisch. Maar het is in meer opzichten logisch dat bergen heilige plaatsen werden. Om een berg te beklimmen moet je letterlijk opstijgen. De lucht is er dunner, de temperatuur is er anders. Het dreigende, het onbedwingbare en dat weidse uitzicht… je moet er haast wel aan God denken.
De allerbelangrijkste heilige plek in de Bijbel is steeds weer een berg
In een cruciaal moment voor Mozes, de grote leider van het Bijbelse volk, mag hij de berg op om God te ontmoeten. God zelf komt ook naar de berg, maar voor Hem is het juist een afdaling, vertelt de tekst. Heel het volk ziet hoe de berg wordt bedekt door een wolk, iedereen ziet rook en vuur en hoort donderslagen. Het is een majestueuze scène waarin de macht van God in ieder geval een beetje waarneembaar is voor een grote groep gelovigen tegelijk. Zodra Mozes in zijn eentje de berg heeft beklommen, krijgt hij van God de bekende tien geboden. Daar komen ze dus weer samen: de natuur en het woord als Gods manieren om tot ons te spreken.
De eerste leerlingen van Jezus konden meepraten over dit moment. Petrus, Jakobus en Johannes mochten op een dag met Hem mee de berg op om te bidden. ‘Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen’ (Marcus 9). Ze zagen Jezus op zijn meest indrukwekkend daar boven op de berg. En natuurlijk zijn er meer beroemde taferelen met Jezus op bergen. Zijn bekendste speech heet niet voor niets de Bergrede. Net als Mozes gaf Hij zijn onderricht vanaf een hoge plaats.
Tekst gaat hieronder verder.

‘Ik wil het goede doen, maar ik doe het niet’
God woont toch overal?
Als je het allemaal zo op een rijtje ziet, en dit is nog maar een fractie, zou je bijna gaan denken dat God de voorkeur geeft aan landen die niet op Nederland lijken. Toch is dat niet zo. Er is een Bijbelverhaal (1 Koningen 20) waarin de vijand zegt dat God een berggod is. Ze denken slim te zijn door de strijd aan te gaan op de vlakte. Daar kan God vast niets betekenen voor zijn volk. Maar dat mislukt deerlijk. God komt zijn mensen juist op de vlakte te hulp, want Hij wil er niets van horen dat Hij alleen maar een berggod zou zijn. Hij is een God van hemel en aarde en alles erop, eronder, erboven, eromheen en ertussen.
Dus bestaan er dunne plaatsen in de natuur? Misschien wel, maar we moeten ook weer niet overdrijven. Ik denk dat dat de reden is dat God aan Mozes vraagt om een tabernakel te maken. Een tent waar God kan ‘wonen’ om aanbeden te worden. Later wordt die tabernakel vervangen door de grote tempel in Jeruzalem. Ook dat zijn heilige plekken. Heilige plekken die in zekere zin in de plaats komen van allerlei heiligdommen in de natuur. Want de profeten in de Bijbel geven regelmatig aan dat het een beetje is ontspoord. De gelovigen zien op élke plek in de natuur wel een mogelijkheid tot aanbidding. En daardoor draaien ze de zaken om.
In zichzelf is de natuur geen godheid
Het is namelijk mooi om een indrukwekkende boom te zien en daarbij aan God te denken. Maar het loopt uit de hand als je denkt dat die boom een god is. Zoals je ook de zon kunt gaan aanbidden of van de zee een godin kunt maken. In de Bijbelse tijden gebeurde dit veel te veel. En als je het geschapene gaat aanbidden, maar de Schepper vergeet, mis je het doel. De natuur heeft alleen iets goddelijks in zoverre ze verbonden is met God, maar in zichzelf is de natuur geen godheid. Voortaan, zei God tegen de profeten, moeten jullie Mij maar gewoon in een duidelijk door mensen gemaakt gebouw aanbidden. Een heilige plek waar Ik zogenaamd zal wonen.
In de tempel en in de zachte bries
Salomo, die de mooiste tempel bouwde, zei tijdens de inwijding ervan: ‘Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan U niet bevatten, laat staan dit huis, dat ik voor U heb gebouwd’ (1 Koningen 8). Die heeft het scherp ingezien. Hij begrijpt dat God zich nergens laat opsluiten. Niet in het panoramische vergezicht vanaf een berg, niet in een monumentaal gebouw en niet in een ongerept oerwoud. Al die plaatsen zijn geen automatische trucjes om God op te roepen. Ze kunnen ons mensen wel helpen om ontvankelijker te worden voor zijn aanwezigheid.
Hij herkende God in dat onopvallende, misschien wel alledaagse briesje
Tijdens zijn beroemde Godsontmoeting (1 Koningen 19) mocht de profeet Elia daar iets over leren. Hij strompelde uitgeput een grot uit, en daar kwam God hem tegemoet. Eerst hoorde Elia een grote windvlaag, maar daarin was God niet. Na de windvlaag kwam een aardbeving en na de aardbeving kwam er vuur, maar ook daarin was God niet. Na al dit natuurgeweld werd Elia ineens opmerkzaam voor het ‘gefluister van een zachte bries’. En dáár herkende hij God in. Niet in de traditionele dunne plaatsen, maar in dat onopvallende, geweldloze, misschien wel hartstikke alledaagse briesje. Iets wat je om de hoek van elke straat zou kunnen voelen.
In al deze verhalen zie je verschillende patronen. Je ziet dat de Bijbel aan de ene kant royaal erkent dat de ene plaats wat dunner is dan de andere. Dat mensen God nu eenmaal vaker ontmoeten op plaatsen en in situaties waarin ze daar vatbaarder voor zijn. Tegelijkertijd klinkt er een voortdurende kritiek. De schepping zit niet vol verschillende, over elkaar heen buitelende en met elkaar concurrerende goden; de schepping verwijst naar één Schepper. En die Schepper is nergens in te vangen. Daarom kun je Hem ook op minder bijzondere plekken ontmoeten. Wel degelijk op die parkeerplaats voor het winkelcentrum, bijvoorbeeld. Of in een kerkgebouw, hoe groots of lelijk ook. Of in je woonkamer.
Bethesda, een plek van kracht?
Een van mijn favoriete Bijbelverhalen bevat zo’n kritiek én belofte ineen. Het gaat om Johannes 5, dat zich afspeelt in Bethesda. Dat was een badhuis met zeven zuilengangen bij een poort van Jeruzalem. Het was een grensplaats; precies op de grens tussen wél of níét in de stad. Het was in andere opzichten ook een grensplaats. Wie naar dat badhuis ging, ging de grens over richting het rijk van de zieken. Want die lagen en woonden er. Of je nu blind was of verlamd, verwond of besmet: iedereen die ziek was, zocht die plek op. Misschien in de hoop dat die zuilen die er stonden, overdag een streepje schaduw boden in de genadeloze Midden-Oosterse zon.
Hij ging niet naar het stadscentrum met alle feestjes en terrasjes, maar zocht het badhuis Bethesda op
Bethesda gold in de volksmond als een dunne plaats. Dat kwam doordat er een gerucht de wereld in was geholpen. Van tijd tot tijd zou er een engel van God naar beneden komen om het water in beweging te brengen. Deed die engel dat, dan moest je snel zijn. Als je als eerste in het bewegende water zou liggen, zou je direct genezen worden, wat voor ziekte je ook had. Waar het verhaal precies vandaan kwam, weten we niet. Het is door latere bronnen aan de Bijbel toegevoegd en was blijkbaar een breed gedeeld geloof. Op zich heeft het iets charmants, zo’n geneeskrachtig badhuis. Maar er zit ook een naar randje aan. Al die zieken die daar lagen, waren eigenlijk concurrenten van elkaar. ‘Wie het eerst in het water ligt…’ Zo werd de zogenaamde dunne plaats ook een plaats van ellebogenwerk. God die de snelste jongen zegent.
Toen er een nationaal feest aanbrak, trok Jezus naar Jeruzalem. Hij had nog maar kortgeleden zijn eerste wonder gedaan: van zeshonderd liter water had Hij wijn gemaakt. Ze zagen Hem in Jeruzalem dus graag aankomen tijdens dat feest, de man van de onbeperkte wijn. Maar zodra Hij de stad naderde, bleef Hij aan de rand. Hij ging niet naar het stadscentrum met alle feestjes en terrasjes, maar zocht het badhuis Bethesda op. Dat moet iedereen verbaasd hebben, want niemand ging daar vrijwillig naartoe. Zo’n plek bezocht je alleen maar als je ziek en wanhopig was. Maar daar ging Hij.
Tekst gaat hieronder verder.

Je hoeft niet altijd onder de mensen te zijn: de kracht van afzondering
De man die eindelijk gezien werd
Jezus liep direct op een man af van wie Hij wist dat hij al 38 jaar ziek was. Een ongekende periode. Dat besef ik eens te meer nu ikzelf in mijn 38e levensjaar zit. Hij lag misschien al mijn hele levensduur lang te wachten totdat dat water een keer zou gaan bewegen. En áls dat al zou gebeuren, en áls de mythe zou blijken te kloppen van die geneeskrachtige werking, dan zou de zieke man er niets aan hebben. Hij was niet snel ter been en hij had helemaal niemand om hem het water in te helpen. Steeds weer zou een ander hem voor zijn. Wat een uitzichtloos leven.
Toch had Jezus oog voor die man. Juist voor hem. Hij zocht hem op en genas hem, waardoor hij zijn ligmat kon oppakken en weg kon lopen uit Bethesda. Weg uit de zogenaamde plaats van kracht, lekker naar de pleinen van Jeruzalem om te gaan vieren dat hij was genezen. Het was niet het betoverde badhuis dat hem de uitkomst bood, het was Jezus zelf die hem te hulp kwam. Die hem zag, aanraakte en hielp. Als je het verhaal zo bekijkt, kun je het lezen als een commentaar op ons geloof in dunne plaatsen. Slaan we daarin door, dan houden we onszelf voor de gek. Plaatsen kunnen ons niet redden, Gód kan ons redden.
Hij zocht hem op en genas hem, waardoor hij zijn ligmat kon oppakken en weg kon lopen uit Bethesda
Tijdens zijn gangen over de aarde kon er geen misverstand over bestaan: Jezus zélf was de dunne plaats. Waar Hij was, kwam de hemel heel dicht bij de aarde. Waar Hij was, werden mensen genezen, geroepen, vergeven, gekend, geliefd. Voor de tijdgenoten van Jezus zou de keuze snel gemaakt moeten zijn: wie God zocht, hoefde niet naar de tempel en ook niet naar de berg. Die moest gewoon zijn waar Jezus was: ‘Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld’ (Johannes 9).
Zelf een dunne plaats zijn
Dit opent een laatste dimensie in onze zoektocht naar de relevantie, het bestaan en de betekenis van plaatsen van kracht. Als Jezus het zelf was, en wij moeten Jezus in alles navolgen, moeten we misschien afstappen van het idee dat God überhaupt op statische plekken woont. God kan ook daar zijn waar wijzelf aanwezig zijn. God kan ook daar zijn waar medemensen iets liefdevols voor ons doen of iets broodnodigs tegen ons zeggen of aan ons vragen. Willen we doen wat Jezus deed, dan kunnen we allemaal op onze eigen bescheiden manier een plaats van kracht zijn voor de ander.
We kunnen allemaal een plaats van kracht zijn voor de ander
Want dat is wat de zieke man in Bethesda als eerste zei tegen Jezus. Toen Hij hem vroeg of hij beter wilde worden, antwoordde de langdurig lijdende: ‘Heer, ik heb geen mens.’ Al die tijd had hij geen geneeskrachtig water nodig. Geen betoverd badhuis. Hij had gewoon al 38 jaar lang iemand nodig die bereid was hem te helpen. Die er voor hem was, die naast hem zat in zijn ellende en hem waar mogelijk uit de put zou trekken. Iemand die zijn naam nog kende, zijn naam die door de Bijbel niet aan ons wordt verteld. Want misschien praatte er al decennialang niemand met hem.
Dunne plaatsen hebben dus alles te maken met opmerkzaamheid. Op sommige locaties gaan onze zintuigen meer open, staat onze ziel meer afgestemd op God. Dat is mooi en goed. Maar als we écht opletten en onze antennes goed gebruiken, kunnen we overal aan God denken. Sterker nog, het is onze roeping om overal waar wij komen, zelf een stukje van het koninkrijk van God dichterbij te brengen.

Trust the process: Waarom verandering volgens de Bijbel tijd en moeite kost
Tekst: Alain Verhey
Beeld: Lisa den Teuling
Auteurs

Meest gelezen
- 8 vragen over een burn-out: ‘Zit ik in een burn-out of zijn het overgangsklachten?’

8 vragen over een burn-out: ‘Zit ik in een burn-out of zijn het overgangsklachten?’
- Mishandeld, schulden en depressief. Predikant Cynthia Haaswijk (52) vocht zich uit het donker

Persoonlijk verhaal
Mishandeld, schulden en depressief. Predikant Cynthia Haaswijk (52) vocht zich uit het donker
- Martine: ‘Na een paar dagen weet ik het zeker: Mijn kinderliefde is op. De ‘adults only’ camping lonkt’

Column
Martine: ‘Na een paar dagen weet ik het zeker: Mijn kinderliefde is op. De ‘adults only’ camping lonkt’
Lees ook
- Don Ceder: ‘Een aanwezige vader kan het verschil maken’

Interview
Don Ceder: ‘Een aanwezige vader kan het verschil maken’
⭐Premium - Leontien (44) had vanaf haar 18e anorexia: ‘Ik hield de regie over mijn leven door zelf te beslissen wanneer ik at’

Leontien (44) had vanaf haar 18e anorexia: ‘Ik hield de regie over mijn leven door zelf te beslissen wanneer ik at’
⭐Premium - Binnenkijken in de caravan van Jessica (37) : ‘Door alle herinneringen is Lola onbetaalbaar’

Binnenkijken in de caravan van Jessica (37) : ‘Door alle herinneringen is Lola onbetaalbaar’
⭐Premium