
Column Rachel Rosier: 'Daar lag hij dan, stilletjes, onze brave hondenvriend van dertien'
Column Rachel Rossier
Leestijd: 4 minDoor Rachel Rosier
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 kwartalen gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 kwartalen gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
Door de tranen heen constateert Eva-columnist Rachel Rosier hoe wonderlijk het is. Dat je zó intens kunt rouwen om een niet pratend, verharend wezen dat vooral veel geld kostte en niets liever deed dan zijn eigen drollen eten en daarna aan je gezicht likken. Een ode aan hond Mozes.
Op woensdag liep hij nog tussen de besneeuwde alpentoppen naar verse drollen te speuren, op donderdag was het kotsen, op vrijdag was het nog meer kotsen en op zaterdag lag hij in een dierenhospitaal op een stalen tafel onder de onderzoekende blik van een dierenarts.
Grote massa in buikholte, pancreas vergroot en geïrriteerd, waarschijnlijk reactief, getriggerd door iets wat hij heeft gegeten. Aanvullend onderzoek zou meer duidelijkheid geven: echo, punctie, bloedwaarden.
Maar Mozes was al dertien. De dierenarts knikte begrijpend.
Mozes kreeg een pil tegen de misselijkheid.
Vanaf toen vonden we inderdaad geen hopen braaksel meer door de kamer. Maar de volgende ochtend lag Mozes er niettemin bij als een verschrompeld hoopje leven. Een hond kan niet bleek zijn, maar Mozes was bleek. Een hond kan niet ongelukkig kijken, maar Mozes keek heel erg ongelukkig. Zelfs een knapperig konijnenoor naast zijn neus liet hem koud.
Ezra, onze zoon van dertien, lag de hele ochtend bij hem in de mand. “Braaf Mozes. Je bent een lieve hond, Mozes.”
“Mag Mozes op de bank?”
Elke dag stofzuigden we zijn haren, die als naalden in de kussens bleven steken. Maar dat leek nu allemaal onbelangrijk
Mozes mocht nooit op de bank. We bouwden barricades van stoelen, zetten de kussens rechtop. Mozes vond altijd een manier. Elke dag stofzuigden we zijn haren, die als naalden in de kussens bleven steken. Maar dat leek nu allemaal onbelangrijk.
Terwijl Jaap op zoek ging naar een dierenarts die op zondag open was, werd Mozes voorzichtig op de bank gehesen. Ezra schoof tegen hem aan.
Om half vier die middag lag Mozes opnieuw op een stalen tafel onder de nee-schuddende blik van de dierenarts. Het was tijd om hem in te laten slapen, en aan zijn vermoeide hondenogen te zien was hij het daar zelf ook wel mee eens.
De dierenarts maakte de spuit klaar. Een laatste kriebel en een knuffel, en daar lag hij dan, stilletjes, onze brave hondenvriend van dertien.
Verdrietig dropen we af.
Zelfs Jaap.
Rachel Rosier: ‘Met ijzeren staf verkondig ik nu het evangelie van streeploze ramen’
En toch, constateerde ik door de tranen heen: hoe wonderlijk.
Rouwen om dat niet pratende, verharende wezen dat vooral veel geld kostte en niets liever deed dan zijn eigen drollen eten en daarna aan ons gezicht wilde likken. En toch was hij werkelijk onze vriend.
Zo kwam natuurlijk de onvermijdelijke vraag of we Mozes ooit weer gaan zien, in de hemel, net als oma Christa en oom Ephraim. Toen de theoloog Bonhoeffer dezelfde vraag kreeg van een jongetje dat zijn Duitse herder was verloren, antwoordde hij: “Ik weet dat jij van meneer Wolf gehouden hebt. En God houdt van jou. En we weten dat God van alle dieren houdt. Dus is het antwoord: ja, ik geloof dat je meneer Wolf weer in de hemel ziet, want God verliest niets waar God van houdt.”
Ik hoop dat hij gelijk heeft. Op een dag zullen we het zien.
Wat ik in elk geval zeker weet, is dat God oog heeft voor alle grote maar ook kleine dingen die ons raken. En in deze wereld waarin een heleboel grootse dingen gebeuren, raakt dat mij weer aan God.
Auteurs






