
Ronald Waterman overleefde kamp Westerbork en Theresienstadt: 'Dat verandert je voor altijd'
Interview
Leestijd: 13 minDoor Gert-Jan Schaap
Hoe het was om als gevangene in Westerbork en Theresienstadt te zijn? Nog zeer weinigen weten dat van binnenuit. Ronald Waterman (91) overleefde beide kampen, maar zweeg er naderhand zeventig jaar lang over. “Ik dacht: als ik het geluk had de Holocaust te overleven, móét mijn leven zin en betekenis krijgen.”
Oorlog en vrede
De 10-jarige Ronald heeft net zijn dagelijkse kom grijze, lauwe kampsoep gehaald als hij ziet hoe een transport uit het haastig ontruimde Auschwitz Theresienstadt binnenrolt. Er tuimelen lichamen uit de open veewagons: doden en nog net levende gevangenen door elkaar. Tussen hen ontdekt hij twee kaalgeschoren mannen in blauw-wit gestreepte kampkleding. Zo uitgemergeld, dat ze zich alleen nog op handen en voeten kunnen voortbewegen. Ze plukken grassprietjes uit het zand en stoppen die in hun mond. Geschrokken zet hij zijn aardewerken kom voor hen neer, als een woordeloze uitnodiging. Ze komen er, naast elkaar kruipend, op af. Opeens spert Ronald zijn ogen wijd open: de ene man slaat de andere neer. Die sterft ter plekke. De overgeblevene bereikt de kom, maar bezwijkt dan alsnog – zonder ervan te hebben gegeten. Ronald laat zijn soep achter. Onaangeroerd.
Een kop kamillethee
Op deze zonnige donderdagmiddag, 81 jaar later, nipt Ronald voorzichtig van een kop kamillethee. Zijn handen trillen een beetje, door parkinson. Hij woont op de derde verdieping van een appartementencomplex voor senioren in Scheveningen. Hoewel het behaaglijk warm is in zijn woonkamer, draagt hij een blauw sjaaltje. Buiten scheren krijsende meeuwen door de strakblauwe maarthemel.
Hoe begon de oorlog voor u, als kind?
“Ik was toen 5 jaar oud. Die ochtend – 10 mei 1940 – lag ik nog in bed, in mijn kleine kamertje. We woonden in Delft. Ik werd wakker van een enorm kabaal, en riep naar mijn moeder: ‘Laat ze ophouden met dat getimmer!’ Wat ik hoorde – maar uiteraard niet kon thuisbrengen – was het geluid van luchtafweergeschut. Vanaf het dak van de twee fabrieken tegenover ons huis probeerden Nederlandse soldaten inkomende Duitse vliegtuigen uit de lucht te schieten. Het waren er honderden.”
Op alle fronten
Na de capitulatie, op 15 mei, trokken Duitse soldaten door Delft. De jonge Ronald zag het met eigen ogen. “Vrolijke liedjes zingend, marcheerden ze over de trambrug, onder een groot spandoek door. Daarop stond: ‘V = victorie. Duitsland wint op alle fronten in Europa.’ Dat beeld zie ik nog altijd voor me.”
Download gratis de nieuwe Visie-app en lees Visie waar en wanneer je wilt!Download gratis de nieuwe Visie-app en lees Visie waar en wanneer je wilt!
Geleidelijk aan verschenen er bordjes in het straatbeeld: ‘Voor Joden verboden.’ Bij parken, winkels, zwembaden, cafés en bioscopen. Die waren voor alle Joden niet langer toegankelijk. “Later heb ik me vaak afgevraagd: wie maakten die bordjes eigenlijk? Nederlanders, ongetwijfeld.”
Van school gestuurd
Ronald groeide op als de jongste van vier kinderen, in een humanistisch-Joods gezin. “Eigenlijk werd ik me pas door de Duitse maatregelen bewust van het feit dat wij Joods waren”, zegt hij terwijl hij zijn bril afneemt en kort in zijn ogen wrijft. “De verbodsborden, maar ook het feit dat ik in het najaar van 1941 van school werd gestuurd. Ik zat op een openbare school: de Delftse Schoolvereniging.”
Waterman staat langzaam op, en haalt een kopietje van een document uit het Delftse gemeentearchief tevoorschijn. “Kijk, hier staat het, in deze brief van de school aan het gemeentebestuur van 1 september 1941: ‘Bij deezen deel ik u mede dat de volgende leerlingen der Delftsche School Vereniging van Joodschen bloede zijn.’ Drie namen met bijbehorende adressen worden genoemd, waaronder die van mijn zus en van mij. Joodse kinderen mochten niet langer deelnemen aan het openbaar onderwijs. Ik kwam thuis te zitten.”
Er was geen Joodse school in Delft?
“Nee, die gemeenschap was veel te klein. Net als mijn zus en mijn broers, belandde ik in een isolement. Geen speelvriendjes meer, geen school: in één keer was alles anders.”
Wat hem nog altijd pijn doet: “Mijn zeer gerespecteerde vader, hoogleraar aan de TU Delft, werd ontslagen. Hij had geen werk en geen inkomen meer. Dat vergrootte mijn gevoel van isolement. En vanaf 2 mei 1942 was de Jodenster verplicht. Die moesten we zichtbaar op onze kleding dragen.”
Daarmee was u voortaan direct herkenbaar als Jood.
“Precies. En ik zag hoe mensen daarop reageerden. Soms naar. Soms positief. En soms neutraal. Maar je werd, hoe dan ook, gezien. Je trok de aandacht, door die ster, en raakte daardoor nóg meer geïsoleerd. En daarbij kwam de dreiging van deportatie. We wisten maar al te goed dat steeds meer Joden op transport werden gesteld. Op een gegeven moment waren wij aan de beurt. Mijn vader kreeg een brief: ‘Houd u gereed voor transport.’ Onder de trap hadden we koffers, dekenrollen, rugzakken en bestek klaarstaan. En dan”, zegt hij, terwijl hij zijn bril afzet en op tafel legt, “komt het moment dat er wordt aangebeld.”
Ik keek in de diepste afgrond van de menselijke ziel
Nagestaard
Twee rechercheurs van de plaatselijke politie (“Néderlanders…”) kwamen hen halen.
“Snel trokken we allemaal een paar jassen over elkaar en namen onze spullen mee. Geflankeerd door deze geüniformeerde mannen liepen we door Delft naar het politiebureau, nagestaard door de bevolking. Dat was in de namiddag van 5 maart 1943.”
Het gezin belandde in een grote cel, samen met andere opgepakte Joden. “Eén of twee uur later werden we opgehaald door de Grüne Polizei, mannen met doodskoppen op hun pet. Een overvalwagen bracht ons naar station Den Haag Hollands Spoor.”
Op het perron bevond zich de beruchte Jodenjager Fransch Fischer, hoofd van de SD in Den Haag. “De naam van mijn vader stond op de zogeheten Barneveld-lijst, die Joodse hoogleraren en andere prominenten vrijwaarde van deportatie. De bevriende, niet-Joodse hoogleraar Kluiver en dominee De Voogd stapten daarmee op Fischer af. We mochten terug naar huis. Uitstel van executie: op 31 maart werden we alsnog opgehaald. Samen met andere prominente Joden werden we gevangengezet in kasteel De Schaffelaar in Barneveld.”
Een oase
Voor zijn ouders was het een zenuwslopende tijd: wat hing hun hierna boven het hoofd? “Maar voor mijzelf was het een oase.”
Waarom?
“Alleen al dat er andere kinderen met een ster waren, tilde mij uit mijn isolement. Maar het mooiste was dat ik een van de jonge assistenten werd van een bekende Joodse entomoloog, de insectendeskundige dr. Emmanuel Speijer. Met toestemming mocht hij insecten vangen in het bos achter het kasteel. Die prepareerde hij.”
Na de oorlog had Speijer een collectie van 22.000 stuks, die nu te bewonderen is in Naturalis. “Daar heb ik als assistent aan mogen meehelpen. Merkwaardigerwijs is mijn liefde voor de natuur en voor de wetenschap dáár begonnen. In gevangenschap.”
Gewapende SS’ers
Op 28 september 1943 werd Ronald 9 jaar. “Mijn moeder beloofde me een ei voor mijn verjaardag. Dat zou ze De Schaffelaar in smokkelen. ‘Maar dat lukt me pas morgen’, zei ze. Dat ei heb ik nooit gekregen. Want de 29e werd het kasteel omsingeld door gewapende SS’ers. Met onze schamele bezittingen werden we afgevoerd naar het lokale treinstation, en naar Westerbork gedeporteerd. Weg van de plek waar ik, gek genoeg, gelukkig was.”
Hij zet zijn bril weer op en zegt: “Wat heel onaangenaam was, is dat mijn ouders – respectabele mensen – bij aankomst werden gevisiteerd. Vernederend.”
Deze Duitse kinderarts had een bochel, maar hield zijn hoofd altijd fier rechtop
‘Vergeven van de vlooien’
“Westerbork herinner ik me als een vierkante, kale vlakte met barakken. Stoffig en zanderig in de zomer, modderig in de herfst en de winter. Vierzijdig omringd door prikkeldraad, met zeven door SS’ers bemande wachttorens. Met daarboven een hemel van hoop en wanhoop. De ijzeren bedden in onze houten barak – driehoog, met juten stromatrassen – waren vergeven van de vlooien.”
Wat vooral indruk op hem maakte, is de plek waar de spoorrails binnenkwamen. “We noemden deze hoofdstraat de Boulevard des misères, de Boulevard van ellende. Eén keer per week, meestal op dinsdag, rolde een stoomlocomotief met veewagons Westerbork in. Om nieuwe ladingen Joden op te halen. Als hun namen de dag ervoor werden afgeroepen, was er paniek en barstten mensen in tranen uit. Maar je zag ook de enorme opluchting bij de anderen: in ieder geval nog een week uitstel…”
41,3 graden koorts
Hij weet nog goed dat hij ziek was toen hij in Westerbork aankwam. “In Barneveld had ik al last van een pijnlijke dubbele middenoorontsteking, en roodvonk. In Westerbork kreeg ik daar longontsteking bij, en geelzucht: 41,3 graden koorts. Daarom werd ik opgenomen in de ziekenbarak, waar zeer toegewijde Joodse artsen en verpleegkundigen werkten. Een van hen zal ik nooit vergeten: dokter Wolff. Deze Duitse kinderarts had een bochel, maar hield zijn hoofd altijd fier rechtop.”
Waarom bleef juist hij u zo bij?
“Hij was zo liefdevol, ook voor mij. Mijn moeder lag elders in het ziekenhuis, eveneens met geelzucht. Dokter Wolff zei tegen me: ‘Klim maar op mijn rug; het zal je moeder goeddoen als ze jou ziet.’ Zo bracht hij me bij haar, wat we allebei heerlijk vonden.”
Onheilspellende bestemmingen
Na ongeveer een jaar stond het gezin Waterman op de gevreesde transportlijsten. Over de bestemming wisten ze niets met zekerheid. De Duitsers, meesters van de misleiding, hadden het steeds over ‘arbeid’ in het Oosten. “Maar waarom gingen er dan ook zieken op transport? En bejaarden? Uiteindelijk werden 107.000 mensen – Joden, Sinti en Roma – afgevoerd naar onheilspellende bestemmingen: Auschwitz, Sobibor, Bergen-Belsen en Theresienstadt. Slechts vijfduizend keerden levend terug.”
De treinreis, in een volgepropte veewagon met één ton als toilet, duurde twee dagen. Ze kwamen ’s nachts aan in Theresienstadt, het huidige Terezín in Tsjechië. Deze vestingstad fungeerde als doorvoerkamp: na enkele maanden (soms jaren) werden de Joden van hieruit naar werk- en vernietigingskampen gedeporteerd.
Wie is Ronald Waterman?
Mooiste sterrenhemel ooit
Toen de houten wagondeuren knarsend opzijschoven, knipperde Ronald met zijn ogen. De uitstapplaats lag er verlicht bij. Er klonken scherpe bevelen: de Joodse ‘lading’ moest schnell uitstappen.
Eén moment bleef Ronald levenslang bij. “Met alle anderen liepen we een bepaalde kant op, een gebouw in, door een gewelfde gang. Toen ik even later omhoogkeek, zag ik de mooiste sterrenhemel ooit. Ik dacht: dat kan helemaal niet, we zijn in een gebouw. Maar toen ontdekte ik dat we ons op het binnenplein van een kazerne bevonden.”
Theresienstadt gold als ‘modelkamp’. Maar de hygiënische omstandigheden waren erbarmelijk. En deportatie naar concentratie- en vernietigingskampen in Polen dreigde permanent.
Vaak keek Ronald naar zwaluwen die door de lucht buitelden. “Hun nestjes zaten onder de kazernedaken op het terrein. Ik was onder de indruk van die prachtige vogels, die ongehinderd het kamp in en uit konden vliegen.”
Onder dwang
Omdat de Russen de Duitsers aan het oostfront steeds verder terugdrongen, ontruimden de nazi’s Auschwitz en Buchenwald. Overlevenden dirigeerden ze onder dwang richting Theresienstadt. Sommigen arriveerden er na eindeloze dodenmarsen. Anderen kwamen met open veewagons.
Kort voor de bevrijding van Theresienstadt zag Ronald hoe die ene man de andere man uit Auschwitz doodsloeg, op weg naar zijn soepkom. “In een interview in de Volkskrant zei ik het zo: ‘Ik keek in de diepste afgrond van de menselijke ziel. Ik heb gezien wat de één de ander kan aandoen. Dat verandert je voor altijd.’”
Kartonnen dozen
Niet lang na dit incident vormden Ronald en andere jongeren een menselijke ketting. Op last van de Duitsers moesten zij kartonnen dozen met menselijke asresten in de rivier de Eger lozen. In het kamp waren zo’n 34.000 gevangenen omgekomen, vooral door ziekten en ontberingen. De nazi’s, die alle lijken hadden gecremeerd, wilden dit verdoezelen.
“De dozen, allemaal met een naam en genummerd, gaven we aan elkaar door. Opeens hoorde ik een jongen zeggen: ‘Ik heb hier mijn grootmoeder.’ Hij hield de doos met de as van zijn oma vast.”
Een lange stilte. Dan, zachter: “Al die omgekomen mensen zijn ook door mijn handen gegaan…”
‘Moreel verplicht’
In de nacht van 8 op 9 mei 1945 bevrijdden de Russen Theresienstadt. Wonder boven wonder had Ronalds hele gezin de oorlog overleefd: de familie Waterman kon de lange terugreis naar Delft gaan maken.
Na de oorlog werd Ronalds vader rector magnificus van de TU Delft, terwijl Ronald zijn verloren schooljaren moest zien in te halen. “Ik heb altijd gedacht: als ik het geluk heb gehad de Holocaust te overleven, dan moet mijn leven zin en betekenis krijgen. Dat was ik moreel verplicht tegenover al diegenen die het niet hadden overleefd. Zoals dokter Wolff. Na de oorlog ontdekte ik dat hij was vergast in Auschwitz. Waarom moest iemand die zo onvoorwaardelijk goed was voor anderen, zo gruwelijk aan zijn einde komen? Dat heb ik mezelf na de oorlog heel vaak afgevraagd.”
Rond 2015 was ik ervan overtuigd dat het geen kwaad meer kon
Een uitblinker
Op school bleek Ronald een uitblinker. Hij studeerde af en promoveerde als ingenieur, werd internationaal expert in waterbouw en landaanwinning en werkte in ruim 55 landen. In Nederland was hij betrokken bij twaalf grote kustprojecten.
Wat ziet u als uw grootste bijdrage aan deze wereld?
“Dan noem ik de twee pijlers van mijn methode, die in al deze landen wordt toegepast. Enerzijds ‘Bouwen met de natuur’: niet langer – dominant – dijken en dammen als bolwerken tégen de zee, maar duinen en stranden in harmonie mét de zee. En anderzijds ‘Aquapunctuur’: het revitaliseren van waterwegen en hun waterfronten.”
128 attachékoffers
In zijn vorige huis, in Delft, bewaarde Ronald een collectie van 128 attachékoffers. Voor elk land stond er altijd minimaal eentje klaar, met daarin de werkdossiers die hij er zelf over had samengesteld.
Voor hem verwezen die koffers naar de tijd vóór de deportatie, een constante staat van paraatheid. “Het gevoel dat ik sinds de oorlog altijd had: je moet zó weg kunnen, met het goede koffertje en de juiste documenten.”
Nog één keer terug
Waarom hij zeventig jaar lang zweeg over zijn Joodse achtergrond en zijn oorlogsverleden? “De belangrijkste reden was dat ik een gewone Nederlander wilde zijn. Ik was bang dat mensen anders naar mij zouden kijken als ze ervan wisten – hetzij positief, hetzij negatief – en dat dit zou afleiden van de inhoud van mijn werk. Rond 2015 was ik ervan overtuigd dat het geen kwaad meer kon.”
In 2025 vertelde u in een interview met ‘Radio Prague International’ dat u graag nog één keer terug zou willen gaan naar Theresienstadt. Waarom is dat uw wens?
“Het zou de cirkel rondmaken. In zekere zin begon mijn leven daar. Het is er in ieder geval sterk door gestempeld.”
Als u nu een zwerm zwaluwen ziet, denkt u dan weer aan de bevrijding?
“Ja...” Hij glimlacht, terwijl vanaf de straat beneden vrolijke kinderstemmen opklinken. “Nog altijd.”
Auteurs

Meest gelezen
- Spreker Jan Pool over leven met ongeneeslijke beenmergkanker: “Opeens was ik die hoop kwijt”

Spreker Jan Pool over leven met ongeneeslijke beenmergkanker: “Opeens was ik die hoop kwijt”
- Deze Nederlandse pensionado’s overwinteren én kerken in Benidorm. 'Zonder deze gemeente zou ik niet naar Spanje gaan’

Reportage
Deze Nederlandse pensionado’s overwinteren én kerken in Benidorm. 'Zonder deze gemeente zou ik niet naar Spanje gaan’
- Voor 'Hel of Hotel' ging Tommie Christiaan de gevangenis in: 'Ik schrok toen ik ineens mijn dealer weer zag'

Voor 'Hel of Hotel' ging Tommie Christiaan de gevangenis in: 'Ik schrok toen ik ineens mijn dealer weer zag'
Lees ook
- Waarom dit gezin alles achterlaat en naar het zendingsveld verhuist. 'Gisteren heb ik nog een potje zitten huilen'

Waarom dit gezin alles achterlaat en naar het zendingsveld verhuist. 'Gisteren heb ik nog een potje zitten huilen'
⭐Premium - Wat vindt God van oorlog? Over vrede, strijd en de Bijbelse werkelijkheid

Essay
Wat vindt God van oorlog? Over vrede, strijd en de Bijbelse werkelijkheid
⭐Premium - Kende jij déze fascinerende figuren uit de Tweede Wereldoorlog al: schurken, slachtoffers en spionnen

Kende jij déze fascinerende figuren uit de Tweede Wereldoorlog al: schurken, slachtoffers en spionnen
⭐Premium