
Ben Verboom werd direct als pasgeboren baby afgestaan: 'Dat ik gevónden ben, is het grootste wonder in mijn leven'
Interview
Leestijd: 9 minDoor Gert-Jan Schaap
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Visie.
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Visie.
Meteen na zijn geboorte belandde Ben Verboom (34) in een weeshuis. De reden? Zijn dakloze moeder kon onmogelijk voor hem zorgen. Als verslaafde dakloze verkocht ze haar lichaam aan mannen om drugs te kunnen kopen. “Pas op haar sterfbed was voor mij de cirkel helemaal rond.”
Familie
Als je de goedlachse en enthousiaste Ben ontmoet, merk je er niets van. Maar hij maakte een uiterst kwetsbare start in dit leven. “Ik ben in het Onze Lieve Vrouw Gasthuis in Amsterdam geboren, op 19 januari 1990”, vertelt hij. “Meteen daarna belandde ik in het weeshuis Trompendaal in Hilversum. Mensen die openstonden voor pleegzorg of crisisopvang, konden daar langskomen. Zo belandde ik, tien maanden later, in het christelijke pleeggezin van Peter en Annemarie Verboom in Houten. Zij hadden al drie biologische kinderen.”
Vreemde mevrouw
Die ‘vreemde mevrouw’ die één keer per jaar – op zijn verjaardag – langskwam: Ben begreep niet dat dit zijn biologische moeder was. “Ik vond het heel verwarrend, al zullen mijn pleegouders het me ongetwijfeld hebben uitgelegd. Vanaf mijn 12e wilde ik niet meer dat ze langskwam.”
Waarom niet?
Ben glimlacht. “Tja, ze gaf me een Bert-en-Ernie-petje. Maar op die leeftijd wil je stoere cadeaus of geld – iets wat bij je leeftijd past. Toen ze mij zo’n kinderlijk petje gaf, wist ik: ze heeft echt niet door hoe groot ik al ben… Sindsdien kwam ze niet meer bij ons over de vloer.”
Ik keek door een bril van afwijzing
Een knuffel of een zoen
Maar in dat ‘ons’ kwamen bij Ben gaandeweg barstjes. Hoorde hij er écht bij? Inmiddels wist hij dat de mensen die hij al van jongs af aan papa en mama noemde, niet zijn echte ouders waren. “Als ik dan zag hoe mijn pleegmoeder een van de andere kinderen een knuffel of een zoen gaf, schoot er iets door me heen: houdt ze wel evenveel van míj́?” Om erbij te horen en gezien te worden, begon Ben zich op ‘presteren’ te richten. “Ik wilde bijvoorbeeld altijd mooie cijfers halen en die thuis laten zien”, herinnert hij zich. “Terwijl Peter en Annemarie echt van me hielden en ik niets tekortkwam. Maar ik keek door een bril van afwijzing. Ik wilde geliefd zijn.”
Vanaf zijn 18e studeerde Ben bedrijfskunde aan de CHE in Ede. Steeds vaker zocht hij naar kicks. “Ik hield van feesten en nam ook drugs, om de leegte te vullen die ik diep vanbinnen voelde. Ik vond het leuk, maar het gaf me geen blijvende voldoening. En ondertussen knaagde de vraag: wie ben ik? Waarom ben ik op aarde?”
Speelde het geloof destijds nog een rol in je leven?
“Ja, althans: er waren wel momenten waarop God krachtig ingreep. Ik heb meegemaakt dat de heilige Geest ’s nachts in mijn kamer kwam, toen ik student was, en dat ik begon te spreken in tongentaal. Terwijl ik niet echt geloofde en heel werelds leefde. Ik heb meer van dat soort bijzondere dingen meegemaakt, waardoor God liet merken: ‘Ik ben er. Ik besta.’ God raakte me wel aan, alleen drukte ik dat een paar dagen later weer weg. Dan viel ik terug in de groef van mijn oude leven.”
Dat was precies waar ik al jarenlang naar zocht
Thuisgekomen
Nog behoorlijk brak van het feestje van de avond ervoor, zat Ben op een zondagochtend (“helemaal achteraan”) in een evangelische kerk. “Ik was 22 en zat naast Dorien, die later mijn vrouw zou worden. De voorganger sprak over het evangelie van God en ik zag zoveel vuur in zijn ogen. Ik voelde aan alles: daar staat iemand die echt een vervuld leven heeft. En dat was precies waar ik al jarenlang naar zocht. Toen de oproep klonk om je hart aan Jezus te geven, heb ik daarop gereageerd. Gods Geest kwam in mijn hart. Ik was zó vervuld met liefde en blijdschap, dat ik de eerste twintig minuten alleen maar heb gehuild. Ik wist: ik ben thuisgekomen. Eindelijk.”
Gods geliefde kind
Ben was als baby gedoopt en deed als tiener belijdenis, maar liet zich nu als volwassene dopen. “Dat was het moment waarop de macht van de duisternis over mijn leven echt werd verbroken. Ik wist nu niet alleen verstandelijk dat ik Gods geliefde kind ben, maar ervoer het ook in mijn hart. Dat maakte alle verschil.” Na hun huwelijk stimuleerde Dorien Ben weer contact te zoeken met zijn biologische moeder. Dat deed hij. “Toen mijn hart als het ware openbrak door Gods liefde en door het werk van de heilige Geest, brokkelden de muren af die ik rondom mijn hart had opgetrokken.”
Was je kwaad op haar omdat ze jou meteen na je geboorte had afgestaan?
Ben aarzelt even. “Nou ja, kwaad… Het was meer onbegrip: hoe kún je je kind afstaan, als het ware te vondeling leggen? Dat zijn wel heftige vragen. Dus ik denk dat er inderdaad ook wel boosheid in zat. Zeker toen ik zelf vader werd, dacht ik: als je een beetje verstand hebt, sta je je kind toch niet af? Maar de liefde van God die ik had ontvangen, gunde ik haar ook. Dus ik zocht weer contact met mijn moeder, Gerda. Ik wilde een relatie opbouwen, de geschiedenis onder ogen zien. Ik had herstel ervaren, en wilde ook de weg van herstel met haar ingaan.”
Je verwachtte een warm welkom, maar kreeg een koude douche?“
Dat kun je wel zeggen. Ze was verward, omdat ze aan schizofrenie leed. Als er spanning of stress bij komt kijken – opeens stond haar zoon bij haar op de stoep – klappen mensen met schizofrenie dicht. Ik probeerde een gesprekje aan te knopen, alleen: het ging niet.”
Waar woonde je moeder toen?“
Ze woonde begeleid bij het Leger des Heils in Utrecht. In een voorziening waar daklozen worden opgevangen en geholpen stappen richting de maatschappij te zetten. Ze bleek maar op een kwartiertje afstand van ons huis te wonen, dus heel dichtbij.”
Samen een ijsje eten
Hoewel de eerste contacten stroef verliepen, bleef Ben haar opzoeken. Drie, vier keer per jaar deed hij “iets kleins” met haar: samen een ijsje eten, ergens een kop koffiedrinken, of gewoon gezellig kletsen. “Rond kerstvieringen waren we er ook altijd, en namen we cadeautjes voor haar mee.”
Stapje voor stapje merkte hij dat zijn moeder zich voor hem openstelde. “En niet alleen voor mij,” zegt Ben, “maar ook voor het evangelie. Ze geloofde wel dat er ‘iets’ was, maar ze kende Jezus nog niet persoonlijk. Soms sloegen we de Bijbel open en lazen we er samen uit.”
Spraken jullie ook over je biologische vader?
“Soms gingen we ‘vissen’ naar mijn jeugd, en wie mijn vader geweest zou kunnen zijn. Ze heeft hem waarschijnlijk maar één keer ontmoet, dus ze wist het ook niet. Maar ik vond het mooi dat ze allerlei herinneringen uit haar leven met me deelde, en gaandeweg ook steeds ontspannener werd en opbloeide. Ik knuffelde haar en bouwde, beetje bij beetje, een band met haar op.”
Weggelopen
Later hoorde Ben hoe zijn moeder na ruzies thuis als 16-jarige wegliep, in een groep jongeren belandde en verslaafd raakte. “Toen ik dat wist, dacht ik: wat kon zij eraan doen dat dit haar was overkomen? En weet je wat zó bijzonder is? Mijn moeder is tot levend geloof gekomen. Ik heb haar zelf mogen dopen. Ze sloot zich aan bij een kerk, was niet langer dakloos en heeft heel veel anderen over Jezus verteld.”
Later bleek dat zijn moeder uitgezaaide longkanker had, vervolgt Ben. “Op de laatste avond van haar leven, in 2024, heb ik letterlijk tegen haar gezegd: ‘Mama, dankjewel dat ik uit jou geboren ben. Je hebt het goed gedaan en ik ben trots op je. Ik houd van je. Ik zie je weer in de hemel.’ Op die laatste avond vlak voor haar sterven – ze was 68 – was voor mij de cirkel weer rond. Ik zeg altijd: dat was het meest kostbare moment uit mijn leven. Onvergetelijk.”
De afgelopen jaren was je voorganger in diverse gemeenten, en tegenwoordig geef je leiding aan een Bijbelschool en een kerk. Hangt jouw drive om anderen toe te rusten samen met jouw eigen levensgeschiedenis?
“Absoluut. Mijn motto is: je kunt het leven niet alleen aan, je hebt anderen nodig. Dat besef zit bij mij heel diep. Heel bepalend voor mij was een ervaring in 2014, toen ik nog studeerde. Samen met Compassion ging ik naar Kampala in Oeganda, om een Muskathlon te rennen. Ik had tienduizend euro opgehaald voor deze sponsorrun. Door 42 kilometer te rennen, zou ik een beurs kunnen betalen voor een jongen, Moses Gideon. Daarmee zou hij vier jaar kunnen studeren. Alleen zat ik, vlak voor de finish, helemaal stuk. De ‘man met de hamer’ kwam langs. Toen zag ik iemand met een scooter, en ik vroeg hem of ik een stukje achterop mocht.”
Altijd achterop
Dat is natuurlijk valsspelen, erkent Ben direct. “Maar weet je wat ik daarvan heb geleerd? Dit is hét beeld van mijn leven. Ik heb altijd achterop gezeten bij anderen. God heeft de juiste mensen op mijn pad gebracht, bij wie ik als het ware achterop kon springen om te komen waar ik nu ben. Niet mijn prestatie, maar genade. Zelf ben ik helemaal niet zo goed, maar Hij is altijd goed voor mij geweest. Vanuit dat besef groeide een verlangen om anderen te helpen. Ik ben als baby achtergelaten, maar ik ben gevonden. In Maleachi 3:24 staat een prachtige tekst, dat ‘ouders zich zullen verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders’. Dat is het grootste wonder van mijn én van mijn moeders leven: God is een Vader die zijn kinderen thuisbrengt.”

Leonie gaat viraal met Bijbelse kunstwerken: 'Schilderen is mijn manier om God te aanbidden'
Auteurs





