
Katie Vlaardingerbroek zwierf tien jaar rond in therapieland: ‘In al die jaren heb ik geleerd dat ik niet gek ben’
Levensverhaal
Leestijd: 12 min
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
Als kind van een Nederlandse vader en een Britse moeder groeide Katie Vlaardingerbroek (30) op in een ‘zendelingengezin’ in een Haagse achterstandswijk. Ze werd als tiener gediagnosticeerd met een chronische ziekte, kreeg te maken met een geloofscrisis en volgde tien jaar lang allerhande therapie. Daarover schreef ze het boek: 'Nederland Therapieland, hoe beter worden ons zieker maakt'. Katie: "Therapie helpt, maar is niet perfect."
“Bij ons thuis was het niet bepaald huisje-boompje-beestje. Mijn ouders waren overtuigd christen en hebben voor mijn geboorte jarenlang rondgereisd als evangelisten. Toen ik vier jaar oud was, verhuisden we naar een achterstandswijk in Den Haag. Hier startten mijn ouders een kerk voor ongelovigen. We woonden in een oude dokterspraktijk, waar ook onze kerk was. Bij ons thuis waren er altijd mensen over de vloer, vooral mensen die hulpbehoevend waren.
Iedereen was altijd welkom, welke problemen ze ook hadden. Als ik ’s ochtends wakker werd en in mijn pyjama uit bed kwam, wist ik nooit of er iemand huilend in de woonkamer of keuken zou zitten. Mijn ouders gaven mij hierin een heel mooi wereldbeeld mee: iedereen is het waard om als mens gezien te worden en niet als een probleem, ongeacht de omstandigheden. In plaats van: ‘Petra is ex-alcoholist en heeft heel veel schulden’ leerde ik: ‘Dit is Petra. Punt.’
Als ik ’s ochtends uit bed kwam, wist ik nooit of er iemand huilend in de woonkamer zou zitten
Ik ben dankbaar dat ik zo naar mensen heb leren kijken. Tegelijk zit er ook een schaduwkant aan hoe ik ben opgegroeid. Er zat een bepaalde grenzeloosheid in. Het ging altijd maar door. Als kind ervoer ik daarin al een conflict: God wilde dat we hier waren, deze mensen hadden hulp nodig, en dus dienden we de mensen om ons heen. Maar het ging wel ten koste van onszelf. Als we extra geld kregen – als gezin leefden we lange tijd van giften – gaven we dat niet uit aan luxe dingen. We waren ‘arm met de armen’. Dat heeft iets moois, die zelfopoffering, maar zoiets heeft een grens.
Jezelf zo radicaal in dienst van anderen stellen is een veel te grote verantwoordelijkheid voor een kind, zie ik nu. Het is ook nodig om te weten dat je zélf mag bestaan en ruimte mag innemen, zonder dat dit anderen dient. Ik weet nog dat we een keer een dagje dierentuin cadeau kregen. Dat voelde heel magisch. We bleven daar ook eten en ik mocht zelfs iets uit de winkel kiezen. Dat kende ik helemaal niet. Overigens leefden we niet écht in armoede, hoor. Ik zat bijvoorbeeld wel op pianoles en ballet. Ook gingen we regelmatig naar musea. Er was veel ruimte voor culturele activiteiten. Maar mijn ouders maakten daarin wel heel bewuste keuzes.”
Vreemde vogel
“Als mensen leven we in bubbels. Dat merkte ik als kind al, ik vond niet zo makkelijk aansluiting met leeftijdsgenootjes. Dit kwam voor een deel doordat er groepjes waren op basis van culturele achtergrond. Daarnaast waren wij als gezin überhaupt de vreemde vogel in de wijk. Wij waren ‘de christenen’ en hadden een bepaalde rol die anderen niet hadden. Hoewel ik opgroeide met veel mensen om me heen, heb ik me daarin ook eenzaam gevoeld. Al van jongs af aan observeerde ik de wereld om mee heen. Als 9-jarig meisje hield ik me bezig met vragen als: Hoe kan het dat ik wel naar de hemel ga en mijn klasgenootje Fatima niet? Ik leefde op de breuklijnen van waar verschillende werelden elkaar raken. Dat was aan de ene kant heel verrijkend, maar daar lag ook een oorzaak van die eenzaamheid. Want waar hoorde ik nou thuis?”
Omvergeblazen
“In mijn jeugd heb ik ook veel lijden gezien. Ik leerde om iedereen als waardevol mens te zien, ongeacht hun problemen of pijn. Tegelijkertijd zag ik wat mensen elkaar aan kunnen doen. Dat vond ik ingewikkeld. Ik ben een aantal jaar gepest, maakte seksueel misbruik mee en werd als jonge tiener gediagnostiseerd met een chronische ziekte. Ruimte maken voor het lijden van anderen gaf me bestaansrecht. Ruimte maken en vinden voor mijn eigen lijden leek onmogelijk. Waar kon ik heen?
Vanaf mijn vijftiende kwam ik in de basis-ggz (geestelijke gezondheidszorg, red.) terecht. Vervolgens heb ik tot na mijn studententijd af en aan bij een particuliere therapeut gelopen. Ik kom ik uit een familie met wat ‘psychologische excentrieke kanten’, waaronder manisch-depressiviteit. Daarbij was ik mezelf gaan zien als een ingewikkeld en gevoelig persoon. Het was logischer om de oorzaak van mijn lijden bij mezelf te zoeken, dan te erkennen dat ik goede redenen had om me onveilig te voelen.
Psychisch lijden leent zich niet echt voor bezoek. Je moet er zelf doorheen
Daar voelde ik enorm veel schaamte en schuld bij. Dit werd gevoed door het godsbeeld dat ik had meegekregen. Vanaf mijn tienertijd vond ik het steeds moeilijker om in God te geloven. In de zomer nadat ik het gymnasium had afgerond, schreef ik het boek Omvergeblazen, over wat er gebeurt als je heilige huisjes instorten. In eerste instantie schreef ik Omvergeblazen puur voor mezelf, maar uiteindelijk werd het gepubliceerd. Achteraf zou ik een 18-jarige niet per se aanraden om zo’n boek te schrijven. Een tijdlang schaamde ik me er zelfs voor. Maar als ik het nu teruglees, vind ik dat er nog steeds goede dingen instaan. Het gaat over vragen als: Wat is vanzelfsprekend? Hoe voelt het als dat verandert? Hoe bouw je dan weer nieuwe dingen op?”
Vluchten uit Nederland
“Studeren greep ik aan om te kunnen ‘vluchten’ uit Nederland. Mijn moeder had in Oxford gestudeerd. Dat idee vond ik romantisch en magisch. Het werd uiteindelijk de Universiteit van Glasgow, Schotland, omdat dat gratis was voor studenten uit Europa. Ik heb daar, na een kleine omweg, theologie en religiewetenschappen gestudeerd en leerde om analytisch en filosofisch naar de wereld kijken. Ik nam hierin ook mijn eigen geloofsgemeenschap onder de loep. Heel interessant vond ik dat. Zo schreef ik mijn eindscriptie over Nederlandse christen-hipsters.
Het leven dat ik in Glasgow leidde, was totaal anders dan het leven in een zendelingengezin. Het was ‘werelds’ en avontuurlijk. Voor het eerst volledig bezopen raken, allerlei dingen proberen: het was opnieuw een vorm van grenzeloosheid waar ik in terecht kwam. Ik werkte als achtergrondzangeres en kwam daardoor op allerlei tijdstippen op zowel shady als magische plekjes terecht. Het voelde als avontuur en vrijheid. Maar ook daarin ervoer ik een bepaalde eenzaamheid. Mijn vrienden waren allemaal creatieve en artistieke figuren, dat zijn vaak niet de mensen die heel goed zijn in een thuisgevoel creëren. Ik was weer omringd met mensen die veel problemen en chaos met zich meebrachten. Daarin was ik de ondersteuner. Toen voelde het als een totaal ander leven. Terugkijkend zie ik dat het eigenlijk een andere vorm was van wat ik al kende. Toch heb ik er ook van genoten en veel van geleerd.”
De tekst gaat hieronder verder.

‘Haptotherapie was voor mij een openbaring’
Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis
“Terug in Nederland moest ik helemaal opnieuw migreren. Daar had ik niet echt op gerekend. Waar bijna iedereen zijn studententijd in Nederland had doorgebracht, had ik dat uitbesteed aan het buitenland. Op mijn 22ste kwam ik terug en alles was veranderd. Wie waren nu mijn vrienden? Waar ging ik wonen? In het laatste jaar van mijn studie was ik eigenlijk al overspannen. Eenmaal in Nederland heb ik een jaar in een burn-out gezeten. Ik rolde verder de hulpverlening in. Ik probeerde nog steeds uit te leven dat het goed met me ging, terwijl ik vanbinnen rondliep met allemaal geheimen en ervaringen die ik nooit had durven delen, laat staan onder ogen komen.
Dat ‘perfect doorgaan’ trok me helemaal leeg. Ik kreeg de diagnose ‘dwangmatige persoonlijkheidsstoornis’, wat betekende dat de hulpverleners zagen dat ik súper perfectionistisch was. Perfectionisme was mijn houvast geworden. Dat ik hierop ‘betrapt’ werd, voelde als een onbeschrijfelijk enge ontmaskering. Daar ging mijn houvast… Ik zou specialistische hulp krijgen, maar dat ging niet door. Een nieuwe particuliere therapeut was de eerste die doorvroeg naar mijn jeugd. Toen was het alsof alle interne laatjes openvlogen. Dat was heel beangstigend.”
Diep en eenzaam dal
“Toen ik ging samenwonen, had ik in mijn beleving voor het eerst zelf controle over de voordeur. Ik was weg uit het huis van mijn jeugd en weg uit het studentenhuis. Ik bepaalde zelf wie er wel en niet binnenkwam. Dit besef hakte er heel diep in. Het was alsof er in mij op een knop werd gedrukt. Er kwam van alles naar boven. Ik kreeg herbelevingen van het misbruik en de onveiligheid die ik had meegemaakt. Het ging echt niet goed met me. In die tijd verbak mijn partner, met wie ik zou gaan trouwen, onze relatie. Op dat moment ging er ook nog van alles mis in mijn zoektocht naar de juiste hulpverlening in de ggz.
De lotgenotengroep voelde als thuiskomen
Lange tijd zwierf ik rond in therapieland en vond ik geen passende hulp. Ik werd van het kastje naar de muur gestuurd en weer terug. Behandelaars raakten overspannen of droegen niet goed over. Ik zat in een heel diep en eenzaam dal. Lijden leent zich niet echt voor bezoek. Je moet er zelf doorheen. En dat trok ik op een gegeven moment niet meer. Ik heb nooit een serieuze poging gedaan om een einde aan mijn leven te maken, maar ik ervoer volledige machteloosheid. Het leven hoefde echt niet meer voor me. Gelukkig had ik in de jaren ervoor goede vrienden gemaakt. Ik heb hen in deze periode gevraagd om mij een brief te schrijven. Daar heb ik veel steun aan gehad. Een van mijn vrienden schreef de zin: ‘Blijf nog even’. Dat werd een soort refrein voor me.
Sombere gedachten?
Na verloop van tijd en dankzij de veerkracht die ik toch nog ergens bezat, werd het dal minder. Ik kreeg ook eindelijk passende hulp bij traumaverwerking. Tien jaar lang heb ik therapieën gevolgd, ik zit nu nog in het staartje daarvan. In al die jaren moest ik leren om een veilig thuis te creëren, maar ook hoe ik veilig kon zijn in mezelf. Ik moest leren dat gevoelens van angst en onveiligheid me geen slecht persoon maken en dat ik deze emoties in veiligheid kan doorvoelen en erkennen. Ik heb hartverscheurende dingen meegemaakt en gezien. De wereld kan heel naar zijn, daar wil ik niet van wegkijken. Ik schuw het donker niet meer, daardoor kan ik ook juist het licht blijven zien. Kleine momenten van goedheid kunnen zoveel licht brengen. Ik leef gek genoeg, juist doordat ik de donkere kanten van het leven ken, nu met veel rust en hoop.”
Gericht op het individu
“Ondanks de diepten waarin ik heb gezeten, zie ik dat ik ook heel veel mazzel heb gehad. Ik heb ouders die altijd particuliere therapie konden betalen. Ik behoor tot de middenklasse, ben hoogopgeleid, ik weet dat ik mijn stem kan gebruiken om gehoord te worden en dat ik ‘recht’ heb op bepaalde dingen. Ik heb daar heel erg mee geboft. Tegelijk is er in mijn reis door therapieland veel misgegaan. Dat overkomt helaas veel mensen. Daarom wilde ik daarover schrijven.
Therapie helpt, maar is niet perfect. Daar mogen we het meer over hebben. Therapie is vaak heel erg gericht op het individu. Hiermee bevestigen we, soms onbedoeld, dat een persoon het ‘probleem’ is, terwijl de oorzaak vaak sociaal of maatschappelijk is. Als je trauma meemaakt, kun je denken dat er iets mis is met jou. Maar in al die jaren heb ik geleerd dat ik niet gek ben. Ik had een heel normale reactie op abnormale omstandigheden.
De tekst gaat hieronder verder.

Uus’ broer raakte vermist in Venezuela: ‘Je blijft zo lang mogelijk hoopvol’
Wat mij uiteindelijk het allermeest heeft geholpen, is een lotgenotengroep: The Safe Space Club. Daar vond ik veel herkenning en daarmee ook érkenning. Psychisch lijden is heel isolerend. Hulpverleners doen hun best, je omgeving vaak ook, maar die kunnen nooit echt helemaal met je levelen. Door de individuele insteek blijf je ook ergens alleen achter. Bij lotgenoten hoef je niets uit te leggen. Zo’n groep geeft perspectief, geeft taal aan wat je hebt meegemaakt. Deze groep voelde als thuiskomen. Het maakte alles draagbaarder.”
Avontuur met een vleugje chaos
“Als ik naar de toekomst kijk, ben ik positief. Ik heb een heel leuke vriend die zelf ook een turbulente achtergrond heeft. Kleine dingen die voor veel mensen vanzelfsprekend zijn, ervaren wij samen heel bewust als geluksmomentjes. Dat maakt het leven rijk. Op zondag wakker worden, sudoku’s maken, langs vrienden gaan: daar kan ik heel erg van genieten. We zouden graag in een ‘opknapboerderijtje’ wonen met dieren om ons heen en een gezin. Daar willen we een plek van rust creëren. Rust is een heilig goed voor mij geworden. Tegelijk moet het niet te gezapig worden.
Ergens neig ik ook altijd een beetje naar avontuur, mét een vleugje chaos. Dat avontuur vind ik nu in het opzetten van twee sociale ondernemingen. Samen met anderen wil ik in Zwolle een inclusieve theatergroep beginnen voor mensen met een verstandelijke beperking, genaamd Studio KRIP. Daarnaast wil ik me inzetten voor het reduceren van seksueel geweld in Nederland, samen met Sara Alaoui van The Safe Space Club. We starten consultancybureau M.O.E.D., waarin we diensten willen leveren rondom psychosociale veiligheid op de werkvloer. Ik vind het best spannend, maar ik heb er ook veel zin in. Hoewel ik nog steeds moeilijke periodes ken, is mijn fundament stevig genoeg. Ik heb rust gevonden in mezelf.”
Over Katie Vlaardingerbroek
Tekst: Francien van der Valk
Beeld: Janna de Regt-van Oene




