Over God praten is niet eenvoudig, en in de kerk klinken allerlei theologische termen: van aartsengel tot zegen. Maar wat betekenen deze begrippen eigenlijk? In deze rubriek legt Visie ze kort uit. Vandaag: carnaval in vijf vragen.
1. Hoe gebruik ik deze term op een verjaardag?
“Wat een overdaad aan eten en drinken! Het lijkt wel carnaval!”
2. Wat betekent het?
Carnaval zijn de drie dagen voordat de vastentijd begint. Het woord komt hoogstwaarschijnlijk het van het Latijnse ‘carne vale’, wat ‘vaarwel, vlees!’ betekent. Of van ‘carnem levare’, wat ‘het wegnemen van vlees’ betekent. ‘Vlees’ verwijst daarbij voedsel, maar ook naar vlees in de Paulus-zin van het woord: de menselijke begeerte. Dus: voordat je sober gaat leven, ga je nog één keer los.
3. Wie heeft het bedacht en wanneer?
Voordat het christendom begon, waren er al overal lentefeesten. De kerk besloot die een plekje te geven in het kerkelijk jaar. Rond het jaar 1000 verspreidde het carnaval zich over Europa. In deze paar dagen draaide men alles werd om. Koningen werden lakeien, zwervers de baas en uiteraard hoorde daar veel eten en drinken bij. Rond de reformatie werd vasten (ook in de katholieke kerk) officieel in de ban gedaan, maar de afgelopen 150 jaar is het in Europa weer helemaal opgekomen.
‘Maranata’: een gebed, of een belijdenis? De meningen zijn verdeeld
De kerk heeft door de eeuwen heen altijd een haat-liefdeverhouding met carnaval gehad. Overdaad, dronkenschap en uitspattingen: nee. Maar een moment van vieren, waarin de rollen worden omgedraaid, daar zit wel wat in. Zoals Jezus de boel op z’n kop zet en de kleinsten de grootsten laat zijn, zo gebeurt dat ook tijdens carnaval. Het laat je nadenken: lijkt de manier waarop ik normaal leef wel op het koninkrijk van God?
5. Heb je een inspirerend citaat hierover voor me?
Cultuurtheoloog Frank Bosman schrijft in het Katholiek Nieuwsblad: “Jezus is de Heilige Nar, die de machtigen van deze wereld eens goed de waarheid zegt en opkomt voor de armen en verdrukten.”