
Columnist Miloe over haar moerasdagen: ‘Alsof ik mezelf opnieuw moet uitvinden’
Column
Leestijd: 4 min
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
Lees gratis verder
Meld je nu aan en krijg 3 maanden gratis onbeperkt toegang tot alle artikelen en digitale magazines van Eva.
Miloe van Beek is auteur en schrijfcoach. Ze is gefascineerd door familiesystemen en hoort graag wat er niet wordt gezegd. Miloe is getrouwd met Marcel en moeder van een tienerzoon en -dochter. Sinds kort woont ze in Californië.
Ik weet nooit precies wanneer ze komen. Nooit wanneer ze weer weggaan. Zoals een onaangekondigde storm je zomaar weg kan blazen als je nietsvermoedend de deur opendoet, zo word ik op een ochtend wakker zonder wakker te worden. Sta ik op zonder op te staan. Maak eten zonder te koken. Ga met de hond uit zonder te wandelen, typ antwoorden op apps en mails zonder te reageren, kijk een serie zonder hem te zien.
Een paar keer per jaar zit er een dikke laag tussen mij en de wereld. Sommige mensen zullen het een depressie noemen. Ik omschreef het lang als somberheid. De laatste jaren noem ik het moerasdagen. Ze komen als een verrassing, maar er is wel een patroon. Zo overvalt het verlammende gevoel me vaker na een verandering, in feestmaand december, rond mijn verjaardag, als ik terugkom van vakantie. Het is alsof ik afscheid moet nemen van iets ongrijpbaars, een zorgeloosheid, een tijd die voorbij is en nooit meer terugkomt. Alsof ik mezelf opnieuw moet uitvinden, een nieuwe gebruiksaanwijzing heb die onvindbaar is.
Voelde somberheid vertrouwder dan blijdschap? Wentelde ik me misschien te veel in het moeras?
Als ik erover praat, zijn er veel adviezen. “Zit het uit.” “Geef je eraan over.” “Accepteer het.” “Doe rustig aan.” Jarenlang deed ik dat, zakte ik vol overgave weg in het moeras. Kwam soms dagenlang mijn bed niet uit, trok me terug, wandelde uren alleen door bossen. Tot iemand me een jaar of tien geleden vroeg of het misschien ook comfortabel lag, dat natte, zachte zand. Ik reageerde eerst boos, maar ergens wakkerde die vraag ook een eerste verzet aan. Voelde somberheid vertrouwder dan blijdschap? Wentelde ik me misschien te veel in het moeras?
Sindsdien probeer ik actief uit de drassige grond te klimmen. Ik kom uit bed, ook al zie ik niets door de mist. Kook op routine. Ga naar buiten. Sleep mezelf met eindeloos veel tegenzin naar de sportschool. Tot het lichter wordt, de modder vaste grond is. Ik de stemmen om me heen weer hoor, niet meer hele dagen verlang naar mijn bed. Tot de wereld niet langs me heen trekt, maar ik er weer aan meedoe. Ik weer 1001 ideeën heb die allemaal gister af moesten. Dit klinkt makkelijker dan het is. Het vraagt heel veel wilskracht om te blijven geloven dat blijven bewegen de enige manier is om eruit te komen.
Tekst gaat hieronder verder.
Columnist Miloe: ‘Kinderen moeten zelf leren om in het touw te springen. Ik kan alleen maar het goede voorbeeld geven’
Dat moerasdagen vertrouwd voelen, komt misschien ook doordat ze niet vreemd zijn in mijn (kunstenaars)familie. De fijnbesnaarden, de creatieven, de tomeloos energieke, autonome karakters, zij die alles zien, horen en voelen, zakken er het snelst in weg. Ik ken het van familieleden, en ook van mijn 18-jarige zoon die vol vuur bergen verzet. Voetballen, vrienden, uitgaan, werken – en dan kan het vuur plotseling doven. Zonder adrenaline en regelmaat ligt hij lege dagen scrollend in bed, niet bij machte initiatief te nemen, wegzakkend in de modder. Als ik een hand uitsteek, laat hij die hangen, of duwt hem weg. En hoeveel pijn het ook doet, ik weet dat ik het moet laten. Want zijn moeras is niet het mijne.






